![]() |
|
|||||
Korte samenvattingDe houdbaarheid van de pensioenstelselsDe modernisering van onze pensioensystemenDe wettelijke pensioenenDe aanvullende pensioenenDe ouderen in onze samenleving
|
De modernisering, harmonisering en vereenvoudiging van onze pensioensystemenEen overzicht van de evolutie van de pensioenstelsels in Europa Een overzicht van de evolutie van de pensioenstelsels in EuropaIn de Europese Unie kampen alle landen met dezelfde uitdagingen op het gebied van de vergrijzing en houdbaarheid van de uitgaven voor gezondheidszorg, dienstverlening en pensioenen voor ouderen. Deze uitdagingen aangaan wordt des te moeilijker naarmate de sociale beschermingssystemen beter ontwikkeld zijn en de concurrentiepositie van het land ten overstaan van de mondialisering min of meer goed is. Bovendien is de vergrijzing slechts een van de nieuwe sociale risico’s waaraan de landen van de Unie zijn blootgesteld. Door de fiscale concurrentie en de sociale dumping op wereldschaal ligt het economisch gesproken zeer moeilijk om het niveau van de belastingen of de bijdragen te verhogen. Daarom proberen de Europese landen om bijkomende begrotingsmiddelen vrij te maken om in te spelen op de gevolgen van de vergrijzing bij onveranderlijke heffingen: de werkgelegenheidsgraad opdrijven, de overheidsfinanciën saneren, de overheidsuitgaven onder controle houden zonder de bevolking sociaal gezien nog kwetsbaarder te maken. De politiek is het er volledig mee eens dat voor de pensioenstelsels het vermogen in stand moet worden gehouden om te voldoen aan de sociale behoeften van de ouderen wanneer zij met pensioen gaan, en de financiering op lange termijn van die pensioenen te garanderen. Hoe het begrip “voldoen aan de sociale behoeften” wordt ingevuld, verschilt van land tot land. De evolutie van de vruchtbaarheidsgraad, de langere levensverwachting en de migratiestromen binnen de Europese Unie leiden tegen 2050 in de meeste staten tot een duidelijke vergrijzing van de bevolking en een globale inkrimping van de actieve bevolking. Bij deze evolutie is het van cruciaal belang dat de participatiegraad op de arbeidsmarkt van de bevolking op werkende leeftijd wordt verhoogd; anders zou de economische groei in de Europese Unie daar zeer sterk onder te lijden hebben. Dit zou voor de socialebeschermingssystemen al onmiddellijk tot ernstige financieringsproblemen leiden. In de Europese Unie zal de arbeidsproductiviteit op termijn de enige drijfveer van de economische groei worden. Tijdens de Europese top in Stockholm in 2001 zette deze situatie de regeringen ertoe aan om drie hoofdbeleidslijnen naar voren te schuiven waarmee de begrotingsimpact van de vergrijzing moest wordt gematigd :
Aan deze punten zou men, op algemene wijze, de verhoging van de economische groei kunnen toevoegen, in het bijzonder via opleiding en innovatie. Sommige landen hebben al dergelijke beleidsacties ondernomen, andere nog niet of nauwelijks. Bovendien heeft de huidige economische en financiële crisis de kosten voor de vergrijzing in percentage van het bbp op middellange en lange termijn doen stijgen.
Europa telt steeds minder landen die hun volledige pensioenstelsel op slechts één enkele van de drie pijlers laten stoelen. In de overgrote meerderheid verzwakten de hervormingen het belang van de eerste pensioenpijler, die over het algemeen wordt gefinancierd via een repartitiesysteem, duidelijk ten gunste van de tweede pensioenpijler, die in de Europese Unie steeds vaker verplicht wordt gemaakt. Door deze evolutie is het noodzakelijk dat de tweede pensioenpijler door regels en een strikte prudentiële controle wordt omkaderd om te voorkomen dat de pensioenfondsen kelderen, zoals in de Verenigde Staten is gebeurd, en de gepensioneerden een steeds groter deel van hun inkomsten moeten inboeten. Over het algemeen zijn de prestaties van het Belgische pensioenstelsel – in vergelijking met de Europese landen die een vergelijkbare levensstandaard hebben, met of zonder tweede pijler, en rekening houdend met de andere inkomenstypes waarvan ouderen genieten – eerder middelmatig en zelfs matig voor de gemiddelde hogere lonen. Voor de zwakste lonen daarentegen zijn de prestaties van het pensioensysteem grotendeels vergelijkbaar met het Europese gemiddelde. Het armoederisico van ouderen neemt overal in Europa toe, maar België blijft tot de kopgroep behoren. De wettelijke pensioenstelsels en de modernisering daarvanHet is de extreme complexiteit van ons pensioensysteem die sterk opvalt. Naast de drie traditionele stelsels (werknemers, zelfstandigen, overheidssector), bestaat er een mozaïek van stelsels met bijzondere modaliteiten wat betreft pensioenleeftijd, berekeningsmodaliteiten, toekenningsvoorwaarden. Bovendien zijn de loopbanen steeds gevarieerder. De evolutie van de maatschappij maakt dat er loopbanen ontstaan die ‘atypisch’ zijn voor het pensioensysteem. Dit is zeker het geval voor de loopbanen van vrouwen, hetgeen zich ondermeer vertaalt in een stijging van het aandeel van het alleenstaandenbedrag bij de berekening van de pensioenen. Het wemelt tevens van de gemengde loopbanen, met verschillende weddes voor gelijke situaties, wat de transparantie en billijkheid van het systeem schaadt. Het is daarom nuttig om de kloof tussen de verschillende wetgevingen te overbruggen, om vereenvoudiging in de hand te werken, incoherentie en discriminatie uit de weg te ruimen en gelijkheid van behandeling te garanderen. In antwoord op de uitgedrukte wensen voor het verzekeren van de financiële levensvatbaarheid en houdbaarheid van onze pensioenstelsels en tegelijk de eerste pijler te versterken, de tweede pijler te democratiseren en een beleid van geleidelijke vermindering van de tekorten van de overheidsfinanciën voort te zetten, zal het nodig zijn om de financiering van onze pensioenstelsels te herdenken, ongeacht de schaalvoordelen die altijd mogelijk zijn in de respectieve wetgevingen. De vervangingsratio van het pensioen De kwestie werd door de FOD Sociale zekerheid en de Studiecommissie voor de Vergrijzing voor een aantal typegevallen onderzocht. Zonder het belang van een theoretische benadering te betwisten, die onder meer internationale vergelijkingen mogelijk maakt, heeft de Conferentie deze theoretische gevallen willen loslaten en zich willen richten op de concrete situaties van mensen die met pensioen gaan. Zo dicht mogelijk bij de beleefde werkelijkheid aanleunen, houdt in dat individuele gevallen en effectief toegekende pensioenen als uitgangspunt worden gebruikt. De studies hadden betrekking op de rustpensioenen die tussen 2004 en 2008 werden toegekend; daarbij werden die individuen geselecteerd die een zuivere loopbaan hadden van tenminste 25 jaar. Dit gebeurde zowel voor werknemers als voor zelfstandigen en ambtenaren en de studie werd nog verder uitgediept en er werd ook rekening gehouden met gemengde loopbanen, aspect dat zeker voor zelfstandigen en werknemers moet worden onderzocht. Deze benadering heeft de verdienste om een nieuw licht op onze pensioensystemen te werpen. Binnen het kader van deze synthese is het niet mogelijk om de resultaten weer te geven van de hypothesen die voor de vervangingsratio werden bestudeerd ten opzichte van het loonniveau (minimumloon, gemiddeld loon, hoger loon), bruto- of nettoloon, met of zonder aanvullend pensioen. De vergelijkingen op internationaal niveau zijn bovendien onbetrouwbaar, rekening houdend met de verschillende parameters die in aanmerking werden genomen. Bovendien is het pensioenbedrag niet de enige indicator die het toelaat om het welzijn van de ouderen te evalueren; het vermogen, het bezit van een huis, de gezondheidstoestand of nog hun positie ten opzichte van de armoederisicogrens, etc. zijn ook belangrijke elementen op dit vlak. Het is daarom niet minder waar dat deze vergelijkingen het toelaten om de relevantie van de genomen maatregelen binnen eenzelfde systeem in beeld te brengen. Kortom, we kunnen constateren dat de vervangingsratio van het pensioen, met uitzondering van de overheidssector, voor de gemiddelde en hoge lonen in België ontoereikend is ten opzichte van diegene in de andere E.U.-landen. In de werknemerssector is de verlaging van de vervangingsratio het gevolg van het feit dat, tot in 2008, de pensioenen niet aan de loonevolutie worden aangepast (link met het welzijn), dat het loonplafond voor de berekening van het pensioen vele jaren lang niet werd gewijzigd en van het stelsel van de gelijkstellingen, die een egaliserend effect hebben op de pensioenbedragen binnen eenzelfde stelsel, ongeacht het parcours voor de pensionering. Sinds een tiental jaren werden de pensioenen van de werknemers en de zelfstandigen nauwgezet en selectief aangepast, met name ten gunste van de pensioenminima en de oudste pensioenen, maar van een echt inhaalmanoeuvre is geen sprake. De gelijkstellingenHet begrip gelijkgestelde periodes dekt periodes die, hoewel ze niet werden gepresteerd, voor de berekening van het pensioen met periodes van beroepsactiviteit worden gelijkgesteld. De aard van deze gelijkgestelde periodes loopt sterk uiteen en hoe hiermee bij de berekening van het pensioen rekening wordt gehouden, hangt af van het pensioenstelsel. Bovendien moeten deze periodes in sommige gevallen aan strikte voorwaarden voldoen, vooraleer ze in aanmerking komen ; ze kunnen in de tijd worden beperkt of mogelijkerwijze wordt er alleen rekening mee gehouden als bijdragen werden betaald. De verschillende administraties hebben een studie uitgevoerd voor alle personen die in de periode 2004-2008 met rustpensioen zijn gegaan. Voor de overheidssector werd de studie gedetailleerd voor twee afzonderlijke groepen: de ambtenaren en het onderwijzend personeel.
|
|
||||
|
||||||