![]() |
|
|||||
Korte samenvattingDe houdbaarheid van de pensioenstelselsDe modernisering van onze pensioensystemenDe wettelijke pensioenenDe aanvullende pensioenenDe ouderen in onze samenleving
|
In het kortIn het regeerakkoord van maart 2008 werd de verbintenis aangegaan om “in overleg met de sociale partners, een Nationale Conferentie voor de Pensioenen [te organiseren], met als doel ons pensioenstelsel te hervormen en te versterken, alsook een reflectie op gang te brengen over de berekeningsmethodes van de pensioenen, de belemmeringen voor de opbouw van het pensioen verbonden aan de mobiliteit tussen de verschillende pensioensystemen, de aanpassing aan nieuwe uitdagingen, zoals de verlenging van de levensduur, maar ook de situatie van bepaalde categorieën van werknemers, zoals de deeltijdse werknemers, contractuele ambtenaren of bepaalde categorieën van zelfstandigen” De hoofddoelstelling bestond erin een oplossing te zoeken voor de hoge kosten van de veroudering, die het gevolg is van twee structurele fenomenen – de daling van het geboortecijfer en de stijging van de levensverwachting – en van een conjunctuurfenomeen – het babyboomeffect. Het geboortecijfer, dat wil zeggen, het gemiddelde aantal kinderen per vrouw, daalt tussen 2007 en 2050 van 1,81 tot 1,76 ; het blijft dus onder het cijfer 2,1 dat noodzakelijk is om generaties te kunnen vernieuwen. De levensverwachting bij de geboorte blijft stijgen; voor de mannen zouden we van 77,3 jaar gaan in 2007 naar 84 jaar in 2050 ; voor de vrouwen stijgt de levensverwachting van 83,3 jaar in 2007 tot 89,7 jaar in 2050. Anderzijds bereikt de generatie die vlak na de Tweede Wereldoorlog werd geboren, stilaan de pensioenleeftijd. Het fenomeen is nog recent en is van conjuncturele aard: na 2025 zou de situatie zich stabiliseren. Het migratiesaldo van 26.000 eenheden dat voor 2050 wordt verwacht zou ten slotte het ontoereikende vruchtbaarheidscijfer licht compenseren. Bovendien moeten we rekening houden met nieuwe situaties in de arbeidswereld (bijvoorbeeld de stijgende participatiegraad van vrouwen, flexibiliteit, loopbaanonderbreking, tijdskrediet, deeltijds werk, enz.) en er zijn ook maatschappelijke veranderingen (wettelijk samenwonen en de toename van het aantal eenoudergezinnen). De Regering bracht bij verschillende gelegenheden de voornaamste uitdagingen in herinnering waarop moet worden ingegaan :
Eind 2008 definieerde de Ministerraad de basiselementen voor de organisatie van de Conferentie, die in januari 2009 van start zou gaan en in de loop van heel 2009 plaats zou vinden. De voorbereiding, de verwezenlijking en de follow-up van de Conferentie werden toevertrouwd aan een “Taskforce”, bestaande uit een vertegenwoordiger van elk van de Kernministers, vertegenwoordigers van elk van de betrokken sociale partners en een vertegenwoordiger van elke betrokken administratie. In overeenstemming met de richtsnoeren die door de Ministerraad werden bepaald, besloot de “Taskforce” om drie werkgroepen op te richten die respectievelijk de volgende aspecten zouden onderzoeken :
De “Taskforce” definieerde voor elke werkgroep een "missionstatement" en bepaalde welke deskundigen gehoord moeten worden en welke deelnemers moeten worden uitgenodigd. Voor de organisatie van de werkzaamheden eiste de “Taskforce” dat elke werkgroep in eerste instantie, enerzijds een vergelijking maakte van de Belgische situatie met die in andere landen (in het bijzonder de landen van de Europese Unie) daar waar deze vergelijking pertinent is, en anderzijds een zo volledig mogelijke stand van zaken opstelde van de problematiek. De werkzaamheden verlopen met andere woorden in twee fasen. In de eerste fase moeten de noodzakelijke informatie en documentatie worden verzameld en moeten vaststellingen worden gemaakt, met de vragen die daaruit voortvloeien. Op basis van de vaststellingen die in het tussentijds rapport worden geformuleerd, moet de “Taskforce” bepalen welke de kernvragen zijn, en proberen in de eerste helft van 2010 antwoorden te vinden die zo veel mogelijk op consensus berusten. Vooraleer we de voornaamste elementen van het tussentijds rapport aankaarten, is het geen overbodige luxe om enkele voorafgaande overpeinzingen van de “Taskforce” te formuleren. Ten eerste gaat er geen dag voorbij of we horen financieel deskundigen, economieanalisten of zelfs politici uitleggen hoeveel problemen de vergrijzing wel niet met zich meebrengt. Men zou daarbij vergeten dat de hogere levensverwachting en de stijging van het aantal die daar het gevolg van is, in de eerste plaats de vooruitgang bewijst en een groeifactor vormt, aangezien de ouderen van tegenwoordig ook vragende partij zijn voor diensten en producten als ze maar over een noemenswaardig aandeel van de nationale rijkdom beschikken. Vervolgens vormt de vergrijzing een politieke uitdaging van formaat; het gaat per slot van zaken om een samenlevingsuitdaging. De pensioenen vormen slechts een – weliswaar belangrijk – onderdeel van een transversale problematiek, waar ook andere aspecten bij komen kijken, bijvoorbeeld de toegang tot huisvesting, de toegang tot de gezondheidszorg, de structuren voor thuisverpleging, rusthuizen en rust- en verzorgingstehuizen, enz., met bevoegdheden op zowel op federaal niveau als op het niveau van de gefedereerde entiteiten. Wat tot slot vooral opvalt, is de extreme complexiteit van ons pensioenstelsel. Naast de drie traditionele regelingen (werknemers, zelfstandigen en ambtenaren) bestaat er een mozaïek van stelsels met bijzondere modaliteiten betreffende de pensioenleeftijd, de berekeningswijzen, de toekenningvoorwaarden, enz. Positief is dat op deze manier op de sectorale eigenschappen kan worden ingespeeld, en in het huidige stadium wordt niet overwogen om deze bijzondere regelingen te bespreken. Dat neemt niet weg dat de loopbanen alsmaar meer worden gediversifieerd en dat gemengde loopbanen schering en inslag zijn. Soms zijn er verschillende behandelingen bij een identieke situatie, wat afbreuk doet aan de transparantie en billijkheid van het stelsel.
|
|
||||
|
||||||